Wilde dieren horen toch bij het circus? |
|
Circussen zijn een belangrijk onderdeel van onze Europese cultuur. Het klassieke circus is ontstaan rond 1770 toen Philip Astley in Londen begon met zijn optredens met paarden. Al vrij snel breidde Astley het aantal acts uit met clowns, acrobaten, dansers en muzikanten. Wilde dieren maken van oorsprong geen onderdeel uit van het circus. Ze zijn pas veel later toegevoegd aan het circusrepertoire. Zo zijn roofdieren pas rond 1910 in circussen geïntroduceerd. Wilde dieren zijn dus nog niet zo lang als 'circusartiest' te zien. De claim van circussen dat wilde dieren onlosmakelijk met het klassieke circus zijn verbonden is dan ook enigszins overdreven. Tot in de 20ste eeuw hadden circussen zogenaamde sideshows of freak shows, waar reuzen, dwergen, gehandicapten en exotische mensen als Bosjesmannen en Somaliërs werden tentoongesteld. Door voortschrijdende inzichten en respect voor de medemens zijn dit soort uitingen van 'cultuur' nu niet meer gewenst . We weten tegenwoordig ook dat dieren pijn, angst en stress kunnen ervaren. Onze omgang met dieren is sinds de 19e eeuw op veel vlakken dan ook sterk veranderd. Maar ondanks de welzijnsbeperkingen die inherent zijn aan het reizende karakter van circussen, staan we circussen nog steeds toe om wilde dieren te gebruiken voor ons vermaak. Op basis van onze huidige kennis over dieren en hun welzijn, moet dit als onethisch worden bestempeld. In Engeland, de bakermat van het klassieke circus, is het aantal circussen dat nog wilde dieren gebruikt sinds 1998 gedecimeerd. In veel andere landen zijn inmiddels ook verboden van kracht. |








